Kortebaan
schaatsen
In geen andere schaatstak zijn volksleven, folklore en sport zo verweven als in
de kortebaan. Maar ook geen andere tak van de schaatssport heeft jarenlang zo
in de verdrukking gezeten als juist de kortebaan. Immers, als ‘Koning Winter’
ons land links laat liggen, komen slechts twee kunstijsbanen in aanmerking om
een Nederlands kampioenschap en andere kortebaanwedstrijden te organiseren:
Haarlem en Heerenveen. Alleen deze twee ijsbanen beschikken over een zogenaamde
‘poot’, waardoor het rechte eind van de 400 meter-baan voor wedstrijden
‘verlengd’ kan worden. De kortebaan wordt op een rechte baan betwist, met
telkens twee rijders of rijdsters naast elkaar in de baan. De afstand die
schaats(st)ers afleggen bedraagt voor de dames 140 en voor de heren 160 meter.
Supersprint
schaatsen
Om niet meer alleen afhankelijk te zijn van natuurijs en de kunstijs- banen in
Haarlem en Heerenveen, blies de sectie kortebaan/supersprint de kortebaansport
in 1990 nieuw leven in met de zogenaamde Supersprint. Dit zijn wedstrijden over
2x 100 en 2x 300 meter, die op elke kunstijs- baan gehouden kunnen worden. De
animo blijkt groot. Er worden inmiddels officiële Nederlandse kampioenschappen
gehouden. De uiteindelijke doelstelling van het sectiebestuur
Kortebaan/Supersprint is om de 100 en 300 meter, net zoals dat ook bij de
langebaan afstanden het geval is, als apart afstandskampioenschap te laten
verrijden. Bovendien wil men komen tot erkenning van Nederlandse records.
Wellicht zelfs dat de Supersprint in de toekomst internationaal furore kan
maken. De ISU zoekt naarstig naar alternatieve schaatsvormen.
Supersprintwedstrijden in Inzell, sinds 1989 door het sectiebestuur
Kortebaan/Supersprint in oktober georganiseerd, brengen in ieder geval veel
enthousiasme te weeg, ook bij buitenlandse schaats(st)ers.
De kortebaan blijft echter als kortebaan bestaan. De kortebaan leeft als er
natuurijs ligt. Het is als sport flitsend, altijd spannend en dus leuk om te
zien èn belangrijk voor de jeugd. Veel meisjes en jongens doen op de kortebaan
hun eerste wedstrijdervaring op. Het goed kunnen sprinten is een eerste
vereiste om later als langebaanschaatser te kunnen slagen. En daar draagt de
kortebaan zijn steentje aan bij.
Wedstrijdvormen
Er zijn drie soorten wedstrijden mogelijk:
I. Volgens het afvalsysteem
De winnaar van twee ritten gaat over naar de volgende ronde. De tweede rit is
in tegenovergestelde richting. De eerst getrokkenen bij de loting starten in de
rechtse baan, ook in de tweede rit. Heeft elk een rit gewonnen, dan volgt een
derde en wordt er geloot om de baan. Is het aantal deelnemers oneven, dan gaat
de laatst getrokkene automatisch over naar de volgende ronde en rijdt dan tegen
de winnaar van het eerste paar uit de eerste ronde;
II. Tijdwedstrijden
Een van te voren afgesproken aantal deelnemers, met de laagste tijden over twee
ritten, gaat over naar de volgende ronde. Dit gaat zo door tot er nog vier
rijdsters/rijders over zijn. Deze vier rijden een halve competitie. Winnaar is
degene die ale ritten wint of die over alle ritten de laagste totaaltijd maakt;
III. Combinatie van I en II
Hierbij wordt eerst gereden op tijd. Een van te voren vastgesteld aantal
rijders rijdt naderhand volgens het afvalsysteem.
Geschiedenis
Het schaatsenrijden op de kortebaan wordt in Nederland veel langer
beoefend dan het rijden op de langebaan. Reeds ver voor 1800 moeten er al
wedstrijden hebben plaatsgevonden. Vooral in het noorden van ons land was deze
schaatsvorm populair. Ongetwijfeld zullen kasteleins de eerste organisatoren
van ijssportwedstrijden zijn geweest. Zij grepen iedere gelegenheid aan om de
gelagkamer vol te krijgen. Vaak gebeurde dat in het kader van weddenschappen.
Als kijksport moet de kortebaan in vroeger tijd bijzonder in trek zijn geweest.
Vele duizenden toeschouwers waren aanwezig. Begin 19e eeuw begon het echte
kortebaanverhaal. In 1803 werd in Sneek gestreden om een zilveren tabaksdoos.
Twee jaar later won Trijntje Pieters op 1 en 2 februari in Leeuwarden een
gouden oorijzer. Bij deze eerste hardrijderij voor vrouwen kwamen liefst 130
deelneemsters aan de start. Het was wel een wedstrijd die veel stof deed
opwaaien. Lang niet iedereen vond het even kies om vrouwen zo onvrouwelijk en
bovendien in onderrok (de wedstrijdkleding in die tijd) over de baan te zien
rijden.
De prijzen die op de kortebaan te verdienen waren, logen er niet om. In de
begin tijd ging het vaak om gouden en zilveren voorwerpen, maar als snel werden
geldprijzen uitbetaald. Halverwege de vorige eeuw bedroeg de eerste prijs als f
125,-/f 150,-, een kapitaal voor die tijd. Grote kortebaancracks vergaarden in
één winter een kapitaal. Sommige rijderijen hadden de bedeling aan de armen als
voornaamste doelstelling. In dat geval sprak men over spekrijderijen. Sinds de
kortebaan onder de KNSB ressorteert (1948), mogen alleen kunstvoorwerpen en
waardebonnen ter beschikking worden gesteld.
Elf keer
Nederlands Kampioen
De kortebaangeschiedenis is een aanéénschakeling van namen. Volgens
overleveringen hebben Adam Hurdrider en (‘Malle’) Fokke Ruurds Kuperus in de
tweede helft achttiende eeuw heldendaden. Om de vele kortebaantoppers in de
vorige eeuw te noemen, voert in het kader van deze site te ver. We maken daarom
een sprong naar 1924. Op 5 januari vond in Rijperkerk de eerste nationale
titelstrijd plaats. Aan het eind van de middag was er echter geen kampioen.
Jolle de Jong en Marten Slager lieten dezelfde tijd afdrukken en met zo’n
afloop hadden de organisatoren geen rekening gehouden. Bovendien was het
reglement van de kampioenswedstrijden nog in de maak. Daarom mag Thijs
Klompmaker, de winnaar van het Nederlands kampioenschap op 22 januari 1926 in ,
zich de eerste echte nationale kortebaankampioen noemen. Zeven jaar later werd
Sjoukje Bouma in Sneek (op 26 januari) de eerste vrouwelijke 140
meter-titelhoudster. Dat gebeurde overigens nog niet onder KNSB-vlag.
De beste kortebaanrijder die Nederland tot nu toe heeft gekend, is Piet de
Boer. Hij werd maar liefst elf keer Nederlands kampioen. Andere bekende namen
bij de heren: Matthijs Kuiper, Lieuwe de Boer en Jan Ykema. Bij de dames deden
Ieke Nienhuis, Atje Keulen-Deelstra, Truus Dijkstra en Anneke Zeinstra de
afgelopen decennia van zich spreken.